< Terug naar overzicht

Onterecht ontslag om dringende reden van preventieadviseur: geen automatisch recht op beschermingsvergoeding

Het Hof van Cassatie bevestigde in een arrest van 12 april 2021 dat een onterecht bevonden ontslag om dringende reden van een preventieadviseur niet automatisch aanleiding geeft tot de betaling van een beschermingsvergoeding. Met deze uitspraak maakt het Hof voor eens en altijd (?) komaf met de tweestrijd in de rechtspraak en rechtsleer.

Dubbele ontslagbescherming voor een preventieadviseur

Een preventieadviseur heeft een dubbele ontslagbescherming: inhoudelijk en formeel. Uit de inhoudelijke ontslagbescherming volgt dat een werkgever de tewerkstelling van een preventieadviseur alleen kan beëindigen om redenen die vreemd zijn aan zijn onafhankelijkheid of om redenen waaruit de onbekwaamheid om zijn opdrachten uit te voeren blijkt. De formele ontslagbescherming houdt in dat een werkgever – alvorens tot het ontslag van een preventieadviseur te kunnen overgegaan – een voorafgaande specifieke procedure moet doorlopen. Zo kan een preventieadviseur niet worden ontslagen zonder voorafgaand akkoord van het comité voor preventie en bescherming op het werk.

De werkgever is aan de preventieadviseur een beschermingsvergoeding verschuldigd van twee of drie jaar loon (volgens de anciënniteit van de preventieadviseur) indien de inhoudelijke en/of de formele bescherming niet wordt gerespecteerd in geval van ontslag van de preventieadviseur.

De voorafgaande specifieke procedure moet in een aantal gevallen niet worden gevolgd, bijvoorbeeld in geval van een ontslag om dringende reden. Dit is niet onlogisch, gezien de werkgever in dat geval onmiddellijk moet kunnen optreden. De vraag is echter wat het gevolg is wanneer het ontslag om dringende reden nadien door de rechter onterecht wordt bevonden.

Twee strekkingen in de rechtspraak en rechtsleer

De rechtspraak en rechtsleer zijn verdeeld over de vraag wat het gevolg is van een onterecht ontslag om dringende reden.

De meerderheid van de rechtspraak en rechtsleer is van oordeel dat een rechter in geval van een ontslag om dringende reden van een preventieadviseur, een dubbele evaluatie moet uitvoeren. Eerst moet de rechter nagaan of het ontslag om dringende reden al dan niet gegrond is en dus of er inderdaad sprake is van een ernstige tekortkoming die elke professionele samenwerking tussen de werkgever en de werknemer onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt. Indien dat niet het geval is, kan een rechter volgens deze eerste strekking niet zomaar besluiten dat aan de preventieadviseur een beschermingsvergoeding verschuldigd is. De rechter moet de aangevoerde redenen immers aan een tweede evaluatie onderwerpen en nagaan of de ingeroepen redenen hetzij vreemd zijn aan de onafhankelijkheid van de preventieadviseur, dan wel wijzen op zijn onbekwaamheid. Pas wanneer uit deze tweede evaluatie blijkt dat de inhoudelijke ontslagbescherming van de preventieadviseur niet werd nageleefd, zal een beschermingsvergoeding verschuldigd zijn.

De meerderheid van de rechtspraak en rechtsleer beroept zich onder andere op artikel 11 van de Wet Bescherming Preventieadviseurs dat bepaalt dat de beschermingsvergoeding pas verschuldigd is wanneer ‘de rechtbank of het hof na de aangevoerde dringende redenen niet te hebben aanvaard, erkend heeft dat deze redenen niet vreemd zijn aan de onafhankelijkheid of de aangevoerde redenen van onbekwaamheid om de opdrachten uit te oefenen niet bewezen zijn’.

De minderheid van de rechtspraak en rechtsleer daarentegen verdedigt een automatisch recht op een beschermingsvergoeding bij een onterecht ontslag om dringende reden. Deze strekking is van oordeel dat indien de rechter vaststelt dat een ontslag om dringende reden onterecht werd gegeven, tegelijkertijd vaststaat dat de werkgever de bijzondere ontslagprocedure niet heeft nageleefd en de werkgever bijgevolg een beschermingsvergoeding verschuldigd is.

Hof van Cassatie bevestigt: geen automatisch recht op beschermingsvergoeding

In een arrest van 12 april 2021 sloot het Hof van Cassatie zich aan bij de meerderheid van de rechtspraak en rechtsleer. Het Hof bevestigde dat er – in geval van een onterecht ontslag om dringende reden van een preventieadviseur – pas een beschermingsvergoeding verschuldigd is wanneer de rechter vaststelt dat ofwel de aangevoerde redenen voor het ontslag niet vreemd zijn aan de onafhankelijkheid van de preventieadviseur, ofwel wanneer de werkgever de onbekwaamheid van de preventieadviseur niet bewijst.

Het Hof is duidelijk: een onterecht bevonden ontslag om dringende reden geeft niet automatisch recht op een beschermingsvergoeding. De rechter moet de aangevoerde redenen immers steeds aan een tweede evaluatie onderwerpen.

Cass. 12 april 2021, S.20.0050.N.

Geraldine Dierinck
Medewerker
Claeys & Engels

Lees meer over


< Terug naar overzicht

U zoekt, u vindt !

HR Square | Magazine, E-zine, Netwerk, Website, Seminaries, ...

Word nu lid !
Geniet van de voordelen